slaap
mannelijk (de)/slap/
Wat is de betekenis van slaap?
slaap betekent: periode van inactiviteit waarbij het lichaam tot rust komt
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- periode van inactiviteit waarbij het lichaam tot rust komt
- behoefte aan slaap
- (anatomie) zijvlak van het hoofd tussen oog en oor
- tot korstjes opdrogende afscheiding aan de oogleden
Voorbeelden van "slaap" in een zin
- Jan snurkt in zijn slaap.
- Om vier uur 's ochtends viel Olive in slaap naast het schilderij.
- Ik heb zo'n slaap.
- Voordat ik weer in slaap viel kreeg ik de gedachte aan zeven verschrompelde lijken in gesmolten slaapzakken niet uit mijn hoofd.
- 's Ochtends was hij wakker geworden op de sprei van een van de bedden, met naast hem een vrouw - ze heette Laetitia - die nog diep in slaap was.
Etymologie
*Van de stam van het werkwoord slapen
Uitdrukkingen
- iemand uit de slaap houden
- iemand wakker houden
- in slaap vallen
- inslapen
- omvallen van de slaap
- zeer slaperig zijn
- slaap hebben
- de neiging hebben tot slapen
Vertalingen
Engelssleep, temple
Franssommeil, tempe
DuitsSchlaf, Schläfe
Spaanssueño, sien
Italiaanssonno, tempia
Portugeessono, fontes, têmpora
Russischсон, висок
Japans蟀谷
Turksuyku, şakak
Poolssen, skroń
Zweedssömn, tinning
Deenssøvn
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek