sliet
mannelijk/vrouwelijk (de)/slit/
Wat is de betekenis van sliet?
sliet betekent: recht stammetje waarvan de takken zijn afgehakt
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- recht stammetje waarvan de takken zijn afgehakt
- (bouwkunde) (geschiedenis) staken die als horizontaal rooster in de grond onderdeel van de fundering zijn
- (bouwkunde) (geschiedenis) staken die horizontaal, dwars over de balken van een schuur of stal liggen, zodat daarop weer hooi of graan kan worden bewaard
- (bouwkunde) staak die in een stal horizontaal is bevestigd als afscheiding tussen twee paarden of koeien
- afzondelijke sta-, lig- of zitplaats voor mensen of dieren
Voorbeelden van "sliet" in een zin
- {{ouds|1935/46
- Er werden in de lengterichting van de toekomstige muur twee dunne rondhouten (zogenoemde slieten) gelegd op ongeveer 1,20 meter uit elkaar (…). Daartussen zijn aangepunte paaltjes van circa 2 meter lengte in de veenbodem geslagen, dicht op elkaar. Evenwijdig aan de slieten zijn over de paaltjes aaneengesloten dunnere slieten gelegd. Al deze rondhouten zijn van elzen- of berkenhout. Over dit geheel zijn dwars op de slieten weer slieten gelegd van ongeveer 1,25 meter lengte.
- Op de deel werd gedorst, koren werd op de slieten van de deel opgeslagen.
- Hij was de schuurpoort al binnen en op weg naar zijn peerdstal. (…) - Ho, oh! Cesar! Hij dreefelde tusschen den sliet en hun lijf en ging in de kribben tasten, dan wierp hij achteloos en haastig de kleeren af en kroop donkerling te bed.
- Het nieuwe paard, de “indringer”, staat daar, “donker in dezelfde sliet waar Djole twintig jaar geleefd had”.
Etymologie
*van Middelnederlands "sliet"
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek