slik

mannelijk (de)/slɪk/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. handeling van het slikken
  2. (Surinaams-Nederlands) trekje aan een sigaret
zelfstandig naamwoord
  1. waterbeheer (waterbeheer) zachte klei of buitendijks gebied bestaande daaruit
    Hij zat helemaal onder het slik.
  2. waterbeheer (waterbeheer) natte aangeslibde grond

Etymologie

*[B] van Middelnederlands "slic", in de betekenis van ‘modder’ aangetroffen vanaf 1212