smakken
/ˈsmɑkə(n)/
Betekenis
werkwoord
- smijten, krachtig neergooienDe jongens smakten hun fietsen op de grond.
- neervallen zonder dat de val gebroken wordtBij de botsing smakte de voetganger tegen een paaltje.
- een klappend geluid met de mond maken bij gretig eten of zoenenDe maaltijd was zo lekker, dat de jongens hem smakkend verorberden.
Etymologie
* In de betekenis van ‘smijten’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1450
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek