smeer
/smer/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- (techniek) vet (om iets te smeren)
- vettig vuil
- (verouderd) (voeding) dierlijk vet
Etymologie
*(erfwoord) via Middelnederlands "smeer" /"smere" van Oudnederlands "smero", in de betekenis van ‘vet’ voor het eerst aangetroffen in 901
Uitdrukkingen
- om der wille van de smeer likt de kat de kandeleer
Vertalingen
Engelssuet, tallow
Spaansgrasa, lubrificante, sebo
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek