smeer

/smer/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. techniek (techniek) vet (om iets te smeren)
  2. vettig vuil
  3. verouderd, voeding (verouderd) (voeding) dierlijk vet

Etymologie

*(erfwoord) via Middelnederlands "smeer" /"smere" van Oudnederlands "smero", in de betekenis van ‘vet’ voor het eerst aangetroffen in 901

Uitdrukkingen

  • om der wille van de smeer likt de kat de kandeleer

Vertalingen

Engelssuet, tallow
Spaansgrasa, lubrificante, sebo