snoeshaan
mannelijk (de)/xxxx/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- rare, vreemde kerelIk ging dus aan de Bösendorfer zitten en speelde Three Blind Mice voor de syfilitische snoeshaan, op de wijze van een sarcastische Prokofiev. Ayrs gaf geen commentaar. Ging in een subtielere geest verder met Chopins Nocturne in F-majeur. Hij onderbrak mij met een zucht: 'Probeer je me plat te krijgen, Frobisher?' {{Aut|Mitchell, DavidWerken deed X. volgens omwonenden niet. "Hij hing veel rond op straat", weet een buurman van een paar deuren verder. "Een rare snoeshaan: de ene keer zei hij je vriendelijk gedag, de andere keer klampte hij je aan voor een peukie of een eurootje."Tubantia Sander Sonnemans 10 januari 2017
- iemand die wel heel tevreden met zichzelf is en daar ook voor uitkomtEen bonte stoet personages passeert de revue: een prostituee die ooit ‘het mooiste engeltje van de palmpaasprocessie’ was, een schutter met diepe wallen onder zijn ogen, een gehandicapte admiraal, een dichtende kokkin en een schele hoer ... Zodra ze het woord krijgen, steken die snoeshanen de bloemrijkste verhalen af, zodat het proces-verbaal van hun verklaring een lyrisch hoogstandje wordt. de Standaard 20 oktober 2017
Etymologie
* Leenwoord uit het Nederduits, in de betekenis van ‘snuiter’ voor het eerst aangetroffen in 1617
Vertalingen
Engelsweirdo, foreign chap, cockalorum
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek