spanriem
mannelijk (de)
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- een stevige band waarmee men goederen kan vastsjorrenDe afgeknakte verlichtingspaal diende vanop de brug over de autosnelweg met spanriemen vastgesjord te worden, om te vermijden dat hij bij de takelwerken op de autosnelweg zou terechtkomen.
- riem waarmee men een tent stevig kan verankerenDe rit drinken we weg met een glaasje wijn, en dat terwijl we nog geen vijf minuutjes op de camping zijn. Haringen, spanriemen, luchtmatrassen opblazen en andere kampeerbesognes zijn plots heel ver weg. Autostoelen omdraaien, fruitschaaltje op tafel en in een mum wordt de zithoek van onze Koala best een gezellige plek, zeker met het getik van de regen op het dak.
- een stevige band waarlangs men een scheermes kan slijpenHij haalde zijn scheermes langs de spanriem en schoor zich zorgvuldig.
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek