span

onzijdig (het)/spɑn/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. landbouw, verkeer (landbouw) (verkeer) geheel van trekdieren die samen zijn aangespannen voor een voertuig of landbouwwerktuig
  2. twee personen die gewoonlijk samen bepaalde bezigheden verrichten
  3. (Suriname) geraamte van een vlieger
  4. verouderd (verouderd) sieraad in de vorm van een haarband, speld of gesp

Etymologie

**[5] op te vatten als uitspraakvariant van "spang"In straattaal treedt een omgekeerde ontwikkeling op: hier komt het """ soms voor als "spang"

Vertalingen

Engelsharness, pair, handspan
Spaanspar, pareja, palmo