speelaard
mannelijk (de)
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- manier van het bespelen van een instrument; manier van het ten uitvoer brengen van een muziekstukWesterbrink verantwoordt voorbeeldig z’n visie op en aanpak van deze Noord-Duitse barokmuziek. Ook breekt hij een persoonlijke lans voor de Der Aa-Schnitger, met z’n taaie speelaard, slechte zit en ‘ontbrekende’ registers als Sesquialtera en Tertiaan, maar ook met z’n uitzonderlijke klankkwaliteit en opvallende stemmen als Quintadena en Dulciaan van het rugwerk.
Etymologie
* van spelen
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek