speelaard

mannelijk (de)

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. manier van het bespelen van een instrument; manier van het ten uitvoer brengen van een muziekstuk
    Westerbrink verantwoordt voorbeeldig z’n visie op en aanpak van deze Noord-Duitse barokmuziek. Ook breekt hij een persoonlijke lans voor de Der Aa-Schnitger, met z’n taaie speelaard, slechte zit en ‘ontbrekende’ registers als Sesquialtera en Tertiaan, maar ook met z’n uitzonderlijke klankkwaliteit en opvallende stemmen als Quintadena en Dulciaan van het rugwerk.

Etymologie

* van spelen