speeltje

onzijdig (het)/xxxx/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. speelgoed (speelgoed) iets dat dient om mee te spelen; stuk speelgoed; voorwerp van vermaak
  2. een voorwerp dat door een zuigeling gebruikt wordt om mee te spelen
    Hij laat nu zijn speeltje met opzet op de grond vallen, zodat papa het weer op moet rapen.
  3. gekscherend iets waar een groot iemand dol op is
    Ah, ik zie dat je weer een nieuw speeltje hebt? Een nieuwe BMW nog al liefst.

Etymologie

*, afgeleid van "speel" (van "spelen")