spie

mannelijk/vrouwelijk (de)/spi/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. techniek (techniek) een plat of rond, toelopend voorwerp dat wordt gebruikt om iets stevig mee vast te zetten, of bijv. een stuk hout te kloven
    De steigerpijpen worden met spieën vastgezet.
  2. techniek (techniek) een stukje metaal dat in een groef van een (motor-) as ligt opgesloten, om verdraaiing te verhinderen.
zelfstandig naamwoord
  1. spreektaal (spreektaal) cent

Etymologie

*[B] uit het Bargoens, mogelijk van Rotwelsch Spieß "geldstuk", vergelijk "specie"; in de betekenis ‘cent, geld’ aangetroffen in het jaar 1901

Uitdrukkingen

  • geen spie meer hebbengeen cent meer hebben, blut zijn

Vertalingen

Engelswedge, peg, key
Franscoin, clavette, fiche
DuitsKeil, Passfeder