spie
mannelijk/vrouwelijk (de)/spi/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- (techniek) een plat of rond, toelopend voorwerp dat wordt gebruikt om iets stevig mee vast te zetten, of bijv. een stuk hout te klovenDe steigerpijpen worden met spieën vastgezet.
- (techniek) een stukje metaal dat in een groef van een (motor-) as ligt opgesloten, om verdraaiing te verhinderen.
zelfstandig naamwoord
- (spreektaal) cent
Etymologie
*[B] uit het Bargoens, mogelijk van Rotwelsch Spieß "geldstuk", vergelijk "specie"; in de betekenis ‘cent, geld’ aangetroffen in het jaar 1901
Uitdrukkingen
- geen spie meer hebben — geen cent meer hebben, blut zijn
Vertalingen
Engelswedge, peg, key
Franscoin, clavette, fiche
DuitsKeil, Passfeder
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek