keil
mannelijk (de)/kɛil/
Wat is de betekenis van keil?
keil betekent: (techniek) stevig voorwerp met een rand waar twee vlakken elkaar onder een scherpe hoek raken; kan worden gebruikt om iets vast te klemmen, het wegrollen van een wiel te verhinderen of materiaal op een breuklijn verder te splijten
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- (techniek) stevig voorwerp met een rand waar twee vlakken elkaar onder een scherpe hoek raken; kan worden gebruikt om iets vast te klemmen, het wegrollen van een wiel te verhinderen of materiaal op een breuklijn verder te splijten
- (sport), (verouderd) oude benaming voor de kegel van de kegel- en bowlingbaan
- plat (kiezel-) steentje
- (verouderd) portie alcoholische drank
werkwoord
- dronken
Voorbeelden van "keil" in een zin
- Als je de smalle kant van de keil in de spleet duwt, kun je met een harde slag op de stompe kant het hout splijten.
- Een wig wordt ook wel een keg genoemd of keil en kan van verschillende materialen worden gemaakt.
- De keil moet laag over het water scheren, hij zal dan enkele keren uit het water springen.
- Toch vond ik jenever niet lekker, een kop koffie lustte ik net zoo lief. Maar je kon er niet afblijven; soms dacht je: kom ik eet wat! maar inplaats van een stuk kaas nam je toch een keiltje.
Etymologie
* [4], : via Bargoens en "כּלי" (keile) van (kli) (ondermeer) "fles", "glas"
Vertalingen
Engelswedge, skittle, skittle pin
Franscoin, quille
DuitsKeil, Kegel
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek