spiritus

/ˈspiritʏs/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. vloeistof die bestaat uit gedestilleerde alcohol die door toevoegingen ongeschikt is gemaakt om in drank te gebruiken
    Als zij langskwamen bakte Ata een omeletje op hun kookapparaatje, dat op alcohol en spiritus werkte, en werd een glaasje rode landwijn geschonken.
  2. verouderd (verouderd) alcohol, zoals die door destillatie kan worden geproduceerd
    Behalve deze gasbellen, die uit koolzuur bestaan, levert de gist nog een ander product, den alcohol of spiritus. Alle alcoholische dranken hebben dit gemeenschappelijk bestanddeel aan het levensproces der gistcellen te danken; hetzij deze in den drank zelven geleefd hebben, hetzij de spiritus door destillatie afgezonderd is uit de vloeistoffen, waarin de gist gekweekt werd.
  3. verouderd (verouderd) geheel van eigenschappen dat een levend wezen naast zijn stoffelijke eigenschappen wordt toegedacht
    Sinds vader door ergerlijke blessures niet meer kan voetballen, rent hij. Hij rent zoals die knecht, de hardloper van baron Von Munchhausen die flessen Tokayer moest halen om het leven van zijn heer te redden. De sultan van Turkije wilde de Tokayer binnen een uur op zijn tafel hebben, anders zou hij de baron laten onthoofden. Dus rende de hardloper als de ziedende wind de paar duizend kilometer, van Konstantinopel naar Wenen en terug, terwijl hij die spiritualien droeg. Zoals die hardloper draagt vader zijn geest, zijn spiritus, die zich laaft aan de wind. Elke stap maakt hem lichter en vrolijker.
zelfstandig naamwoord
  1. taalkunde (taalkunde) teken toegevoegd in Oudgriekse tekst om aan te geven dat de beginklank van een woord met een min of meer hoorbare h-klank wordt uitgesproken
    De voortreffelijke typografische uitvoering van het werk (alleen het sporadisch voorkomende Grieks mist de in de onderkastletters gebruikelijke spiritus, accenten en eind-s) zal het gebruik ervan nog in sterke mate veraangenamen.

Etymologie

*[B] in de betekenis "adem"