spitsheid

vrouwelijk (de)

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. scherpzinnigheid, gevatheid
    De voorstelling wordt muzikaal gekenmerkt door milde spitsheid en zorgvuldige contrasten, met liefde en smaakvol gevoel voor effect opgebouwd vanuit het pianissimo door Rossini-specialist Alberto Zedda. NRC Kasper Jansen 5 oktober 1991 [https://www.nrc.nl/nieuws/1991/10/05/vakbondsactie-bij-barbier-boe-vooraf-bravo-toe-6982620-a650704 Vakbondsactie bij Barbier: boe vooraf, bravo toe]
    Hij schrijft dialogen van een spitsheid die doet denken aan het werk van J.D. Salinger, een voorbeeld dat hij zijdelings ook noemt. NRC Hans Goedkoop 22 september 1995 [https://www.nrc.nl/nieuws/1995/09/22/een-tedere-satan-debuut-van-nanne-tepper-over-de-macht-7281828-a553201 Een tedere satan; Debuut van Nanne Tepper over de macht van het verleden]
    En dan laat de scherpte en spitsheid die zijn polemiek met het atheïsme kenmerkt het plotseling afweten. Wanneer het over zijn eigen religieuze ervaring gaat, komt McGrath niet verder dan wat bleke platitudes. NRC Ger Groot 17 juni 2005 [https://www.nrc.nl/nieuws/2005/06/17/op-een-kussen-10543026-a702092 Op één kussen]
  2. het scherp zijn van een punt

Etymologie

* afleiding van spits

Vertalingen

Engelssharp-mindedness, shrewdness, sharpness