spitzen

/ˈʃpitsə(n)/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. schoeisel (schoeisel) schoenen voor ballerina's van zeer soepel materiaal met een verstevigde zool en punt
    Hij had een sterke voorkeur voor zeer slanke danseressen met lange ledematen en een klein hoofd: mannequins op spitzen.
    Bij de ballet-oefeningen, welke blijk gaven van goede training en ernstige studie, sloot zich een keurig en gracieus op spitzen gedanst „Pizzicato" aan.

Etymologie

*(verkorting) van "Spitzenschuh"