spreken
/ˈspreːkə(n)/
Wat is de betekenis van spreken?
spreken betekent: (inerg) zich met behulp van de stem uiten
Betekenis
werkwoord
- (inerg) zich met behulp van de stem uiten
- zich met behulp van de stem kunnen uiten in een bepaald taal
- (inerg) ~ over een bepaald onderwerp aansnijden
Voorbeelden van "spreken" in een zin
- Hij sprak heel zachtjes.
- 'Je bent er nu en ik vind het fijn je te spreken.'
- Mijn dochter werd die dag 15 jaar oud en ik hoopte haar te kunnen spreken en zien via Facetime.
- Ze spraken geen woord Engels, maar met handen en voeten kwamen we een heel eind.
- Hij sprak daar met geen woord over.
Etymologie
:West: : speak (: sprecan, specan), : sprechen, (: sprehhan), : sprekke, spreeke (Oudfries: spreka)
Uitdrukkingen
- iemand niet te na gesproken — iemand, veelal uit respect, uitsluiten van de gedane uitspraak
- niet te spreken zijn over iets — ergens erg op tegen zijn, boos zijn over iets
- bij zichzelf spreken — denken, tot zichzelf spreken in gedachten.
- Spreken is zilver, zwijgen is goud. — soms kun je beter je mond houden
- Boekdelen spreken — iets zeer duidelijk kunnen zien, bv in iemand gezicht
- De prins spreken — Dronken zijn
- Een hartig woordje met iemand spreken.
- Iemand onder vier ogen spreken — praten met iemand zonder dat anderen erbij zijn
Vertalingen
Engelsspeak
Fransparler
Duitssprechen
Spaanshablar
Italiaansparlare
Portugeesfalar
Russischговорить
Chinees说, 说话
Japans話す
Poolsmówić
Zweedsprata
Deenstale
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek