praten
/ˈpratə(n)/
Betekenis
werkwoord
- (inerg) zich met behulp van de stem uitenHij bleef maar praten over het uitje naar Terschelling.Franse kinderen schreeuwen nietTerwijl Nederlandse moeders over het strand schallen: 'Kevin, hiieeerrr kooomeeen…’, praten Franse moeders alleen op gedempte toon met hun kinderen. Sterker nog; ik heb een heel gezin naast ons een hele dag lang alleen op fluistertoon met elkaar horen praten. Niemand viel uit zijn of haar rol. Heerlijk rustig. Waarom moeten wij eigenlijk altijd zo tetteren?We praatten de hele dag en hij leerde me hoe ik veilig een gevaarlijke sneeuwbrug over kon steken door mijn wandelstokken horizontaal te houden voor het geval de sneeuw onder me wegviel en ik in de overdekte ijsrivier terecht zou komen.
- mondeling overleggen, onderhandelenHierover viel niet met een Zweed te praten, terwijl het onderwerp onaangenaam voor de hand lag.
Etymologie
:: бредить
Vertalingen
Engelstalk
Fransparler
Duitssprechen
Spaanshablar
Italiaansparlare
Portugeesfalar
Russischговорить, сказать
Chinees谈话
Arabischيَتَكَلَّم
Poolsrozmawiać
Zweedsprata, tala, snacka
Deenstale
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek