paardenkastanje
mannelijk/vrouwelijk (de)/ˈpardə(n)kɑsˌtɑɲə/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- (bloemplanten) benaming voor bomen uit het geslacht met ruim twintig soorten loofbomenDe paardenkastanjes komen op het noordelijk halfrond voor, voornamelijk in Noord-Amerika, (Albanië en Griekenland), de Himalaya, China en Japan. De paardenkastanje is een kensoort voor het onderverbond Ulmenion carpinifoliae van het verbond van els en gewone vogelkers (Alno-padion)
- (bloemplanten) vrucht van een loofboom uit het geslacht
Etymologie
*, omdat de voor mensen oneetbare vrucht wel werd gebruikt als veevoer
Vertalingen
Spaanscastaño, castaño de indias, castaña
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek