sproke

mannelijk/vrouwelijk (de)/ˈsprokə/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. letterkunde (letterkunde) korte middeleeuwse verhalen in versvorm met een opvoedende strekking over zeer uiteenlopende onderwerpen
    Zo bevat het boek meer dan vijfhonderd rijmspreuken: middeleeuwse levenswijsheden van het type 'Wildi bliven in u ere, / so staet vaste - het wait zere,' en ruim honderd sproken: korte gedichten over minne, mirakels en moraal.

Etymologie

*(erfwoord): Middelnederlands sprōke, sprooc ‘gezegde, kort verhaal, gedicht’. Bijvorm van spreuk. Verkleiningsvorm sprookje.