sprong

mannelijk (de)/sprɔŋ/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. met het lichaam een beweging in opwaartse richting
    Na zijn sprong voelde hij weer hoe de zuigende onderstroom hem naar beneden wilde trekken.
    'Eruit! Snel! Het huis stort in!' Met één grote sprong was Van Oortmerssen uit bed en bij het raam, terwijl hij de vloer onder zijn voeten voelde wegglijden.
  2. informatica (informatica) een afwijking van de normale volgorde waarbij een aantal tussenliggende zaken overgeslagen worden
    Maar de geest is van elastiek, dus dacht ik aan Lawrie en nam ik een voortijdige sprong naar de toekomst.

Etymologie

* In de betekenis van ‘het springen’ voor het eerst aangetroffen in 1100

Uitdrukkingen

  • een benauwde kat maakt rare sprongen
  • een kat in het nauw maakt rare sprongen

Vertalingen

Engelsjump, leap
Spaanssalto