sprong
mannelijk (de)/sprɔŋ/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- met het lichaam een beweging in opwaartse richtingNa zijn sprong voelde hij weer hoe de zuigende onderstroom hem naar beneden wilde trekken.'Eruit! Snel! Het huis stort in!' Met één grote sprong was Van Oortmerssen uit bed en bij het raam, terwijl hij de vloer onder zijn voeten voelde wegglijden.
- (informatica) een afwijking van de normale volgorde waarbij een aantal tussenliggende zaken overgeslagen wordenMaar de geest is van elastiek, dus dacht ik aan Lawrie en nam ik een voortijdige sprong naar de toekomst.
Etymologie
* In de betekenis van ‘het springen’ voor het eerst aangetroffen in 1100
Uitdrukkingen
- een benauwde kat maakt rare sprongen
- een kat in het nauw maakt rare sprongen
Vertalingen
Engelsjump, leap
Spaanssalto
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek