sprot
mannelijk (de)/sprɔt/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- (straalvinnigen) bepaald soort vis, , de kleinste uit de haringfamilie
Etymologie
*van Middelnederlands """, wellicht verwant aan "spruiten", in de betekenis van ‘beenvis’ aangetroffen vanaf 1293
Vertalingen
EngelsEuropean sprat, sprat
Franssprat
Duitseuropäische Sprotte, Sprott
Spaansespadín
Portugeesespadilha
Russischевропейский шпрот
Arabisch:صابوغة أوروبية
Turksçaça
Poolsszprot
Zweedsskarpsill
Deensbrisling
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek