stand

mannelijk (de)/stɑnt/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. hoe of waar iets staat
    Dat hangt van de stand van de zon af.
    Kun je de schakelaar s.v.p. in de stand 'midden' zetten?
    Aan de stand van de zon te zien gaat haar huwelijksplechtigheid bijna beginnen.
  2. sociale positie in de maatschappij
    Zulk gedrag past niet bij zijn stand.
    ' 4 Cynth trouwde met Samuel voor de burgerlijke stand in Wandsworth, in een kleine ruimte die rook naar bureaucratie en goedkoop parfum, met donkergroene muren en ijzeren stoelen.
  3. puntentelling bij een wedstrijd of een aantal cijfers op een paneel (meter)
    De stand is nu drie-nul voor de Belgische dames.
  4. berisping (alleen als verkleinwoord) zie: standje
  5. biologie (biologie) grootte van de populatie van een soort in een bepaald gebied
    De stand van de zeehonden en de zeeschildpadden zullen door die olieramp een geduchte knauw krijgen.
  6. in stand houden: zorgen dat iets niet verloren gaat
    Ze dacht aan De boomgaard op haar zolderkamer, haar volmaakte, veelkleurige paradijs, en schaamde zich voor haar eigen onwetendheid, voor de vasthoudendheid waarmee ze haar buitenlandse sprookje in stand wilde houden.
zelfstandig naamwoord
  1. plaats op een tentoonstelling waar producten vertoond worden
    Hij was vooral nieuwsgierig naar de stand van zijn concurrent.

Etymologie

*[B] in de betekenis van ‘plaats op een tentoonstelling’ ontleend aan """ en aangetroffen vanaf 1929

Uitdrukkingen

  • tot stand brengen
  • tot stand komen

Vertalingen

Engelsposition, stand, class
Spaansposición, clase, estamento