stand-upcomedy
mannelijk/vrouwelijk (de)/ˌstɛndʏpˈkɔməˌdi/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- (toneel) vermaak van publiek door een humorist die staande een reeks grappen verteltWisselwerking met het publiek is hierbij gebruikelijk, muzikale begeleiding niet. Vaak onderdeel van een programma dat bestaat uit een serie van zulke optredens door verschillende humoristen, op een plaats ("comedyclub") waar zulke programma's vaker te zien zijn.Een tijdje terug stond ik in een café in Naaldwijk stand-upcomedy te doen voor wat je in lieve bewoordingen een ‘mondig publiek’ noemt. Ik had bij het opkomen een grapje gemaakt over de tuinbroek die ik droeg en het Westland, even later vertelde ik iets over uit de kast komen, waarna een vrolijke Westlander schreeuwde: „Haha, uit de kás!”
Etymologie
*van "stand-up comedy"
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek