standaard
mannelijk (de)/ˈstɑndart/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- (wetenschap) datgene waaraan vergelijkbare zaken afgemeten worden (eenheid [3] van maat, gewicht etc.)In het verleden was soms de lengte van 's konings voet de standaard van lengte.
- (techniek), "steun", "stut", datgene wat iets anders in staande positie houdtHij zette zijn fiets op de standaard.
- (militair) (regering) herkenningsvlag, onderscheidingsvlagTijdens het koninklijke bezoek werd de koninklijke standaard geheven.
- (economie) geldstelsel waarin een edel metaal tot wettelijke maatstaf van waarde is aangenomen, bijv. een goudstandaard
- norm; zoals iets eigenlijk hoort te zijn; zoals het in feite noodzakelijk is
- (taalkunde) (als eerste deel van taalnamen) vorm zoals door een gezaghebbend instituut als correct of gangbaar voor een geheel taalgebied aangemerkt
Etymologie
*via Middelnederlands "standaert" van "estendart", op te vatten als afgeleid van stand , in de betekenis van ‘voetstuk’ voor het eerst aangetroffen in 1278
Vertalingen
Spaansestándar, bandera, estandarte
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek