steen

/sten/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. (m)/(n) harde stof, vaak op kiezel gebaseerd maar ook andere mineralen omvattend
    Huizen worden vaak van steen gemaakt, omdat het zo goed bestand is tegen weersinvloeden.
    Zittend op een steen aten we wat de pot schafte.
  2. (m) een fragment van deze stof
    Er ligt een kleine steen op het garagepad.
    Vanachter mijn struik gooide ik wat kleine steentjes naar hem toe.
    Na uren lopen en een hele tijd zoeken vond ik een vlakke plek voor mijn tent en gooide ik eerst een aantal stenen de struiken in om eventuele slangen te verjagen.
  3. informeel (informeel) als linkerdeel van een samengesteld bijvoeglijk naamwoord om de betekenis van het rechterdeel te versterkenDe eerste betekenis "harde stof" is bij sommige van deze woorden ook mogelijk.
  4. (n) vogelziekte veroorzaakt door het organisme Trichomonas gallinae

Etymologie

**[3] wellicht onder invloed van e woorden als "steinalt", "steinhart", "steinkalt", "steinreich", "steintot"; vergelijk kei

Uitdrukkingen

  • steen des aanstootsspecifieke aanleiding voor woede
  • stenen voor brood geveniets geven waar de ander niets aan heeft
  • steen en been klagenheel erg klagen, zeuren
  • de steen der wijzen zoekeneen oplossing zoeken voor iets wat bijna niet op te lossen is
  • de eerste steen werpende eerste zijn met beschuldigingen
  • een hart van steen hebbengeen medelijden met anderen hebben
  • huishouden van Jan Steenrommelig huishouden
  • een steentje bijdragen aanhelpen met de opbouw van

Vertalingen

Engelsstone
Franspierre
DuitsStein
Spaanspiedra
Russischкамень
Turkstaş
Poolskamień