steen
/sten/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- (m)/(n) harde stof, vaak op kiezel gebaseerd maar ook andere mineralen omvattendHuizen worden vaak van steen gemaakt, omdat het zo goed bestand is tegen weersinvloeden.Zittend op een steen aten we wat de pot schafte.
- (m) een fragment van deze stofEr ligt een kleine steen op het garagepad.Vanachter mijn struik gooide ik wat kleine steentjes naar hem toe.Na uren lopen en een hele tijd zoeken vond ik een vlakke plek voor mijn tent en gooide ik eerst een aantal stenen de struiken in om eventuele slangen te verjagen.
- (informeel) als linkerdeel van een samengesteld bijvoeglijk naamwoord om de betekenis van het rechterdeel te versterkenDe eerste betekenis "harde stof" is bij sommige van deze woorden ook mogelijk.
- (n) vogelziekte veroorzaakt door het organisme Trichomonas gallinae
Etymologie
**[3] wellicht onder invloed van e woorden als "steinalt", "steinhart", "steinkalt", "steinreich", "steintot"; vergelijk kei
Uitdrukkingen
- steen des aanstoots — specifieke aanleiding voor woede
- stenen voor brood geven — iets geven waar de ander niets aan heeft
- steen en been klagen — heel erg klagen, zeuren
- de steen der wijzen zoeken — een oplossing zoeken voor iets wat bijna niet op te lossen is
- de eerste steen werpen — de eerste zijn met beschuldigingen
- een hart van steen hebben — geen medelijden met anderen hebben
- huishouden van Jan Steen — rommelig huishouden
- een steentje bijdragen aan — helpen met de opbouw van
Vertalingen
Engelsstone
Franspierre
DuitsStein
Spaanspiedra
Russischкамень
Turkstaş
Poolskamień
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek