steken
/ˈstekə(n)/
Wat is de betekenis van steken?
steken betekent: (ov) doorboren, prikken
Betekenis
werkwoord
- (ov) doorboren, prikken
- (ov) in brand ~: doen ontvlammen
- ~ in: investeren
- iets ergens in doen
- pijn doen/veroorzaken
Voorbeelden van "steken" in een zin
- Hij stak het mes diep in het vlees.
- Zijn slangen eigenlijk nachtdieren? Af en toe stak ik mijn hoofd naar buiten, maar ik zag gelukkig niks.
- De invallers staken het hele dorp in brand.
- Tot slot zijn vaders meer tijd in hun kinderen gaan steken - waardoor kinderen per saldo nog steeds op behoorlijk wat 'oudertijd' kunnen rekenen.
- Ze had zo'n zware, navulbare zilveren aansteker, meer een tafelmodel dan iets wat je in je zak zou steken.
Etymologie
* In de betekenis van ‘prikken’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1236
Uitdrukkingen
- een spaak in het wiel steken
- een stok in het wiel steken
- stokken in het wiel steken
- stokken in de wielen steken
- De bolworm steekt hem
- De draak met iets steken — ergens niets van geloven en grapjes over gaan maken
- De gek met iemand steken — spotten met iemand
- De hand in eigen boezem steken — De schuld bij zichzelf zoeken
Vertalingen
Engelsstab, stick, sting
Duitsstechen, stacheln, anstecken
Spaansapuñalar
Poolspchać, podpalać
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek