steken

/ˈstekə(n)/

Betekenis

werkwoord
  1. ov (ov) doorboren, prikken
    Hij stak het mes diep in het vlees.
    Zijn slangen eigenlijk nachtdieren? Af en toe stak ik mijn hoofd naar buiten, maar ik zag gelukkig niks.
  2. ov (ov) in brand ~: doen ontvlammen
    De invallers staken het hele dorp in brand.
  3. ~ in: investeren
    Tot slot zijn vaders meer tijd in hun kinderen gaan steken - waardoor kinderen per saldo nog steeds op behoorlijk wat 'oudertijd' kunnen rekenen.
  4. iets ergens in doen
    Ze had zo'n zware, navulbare zilveren aansteker, meer een tafelmodel dan iets wat je in je zak zou steken.
  5. pijn doen/veroorzaken
    Het steekt hem dat hij niet was uitgenodigd voor de verjaardag van zijn beste vriend.
    Ze heeft al jaren last van een stekende plek op haar bovenbeen.

Etymologie

* In de betekenis van ‘prikken’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1236

Uitdrukkingen

  • een spaak in het wiel steken
  • een stok in het wiel steken
  • stokken in het wiel steken
  • stokken in de wielen steken
  • De bolworm steekt hem
  • De draak met iets stekenergens niets van geloven en grapjes over gaan maken
  • De gek met iemand stekenspotten met iemand
  • De hand in eigen boezem stekenDe schuld bij zichzelf zoeken

Vertalingen

Engelsstab, stick, sting
Duitsstechen, stacheln, anstecken
Spaansapuñalar
Poolspchać, podpalać