stijl

mannelijk (de)/stɛi̯l/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. wijze waarop men iets doet
    De samenwerking was succesvol en moet in dezelfde stijl worden voortgezet.
    In het Palais des Bonbons et du Nougat in Montélimar is met klassieke auto's een file opgesteld. In Pouilly-sur-Loire staat Les 200 Bornes, een pompstation annex hotel-restaurant in oude stijl.
    De boeken hebben één ding gemeen: je zou ‘enorm veel missen als je ze in de originele taal zou lezen, in ieder geval de uitzonderlijk eigen stijl waarin ze geschreven zijn’.
  2. post, spijl
  3. buisvormige, middelste gedeelte van de stamper

Etymologie

* Leenwoord uit het Latijn, in de betekenis van ‘verticale paal’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1284

Vertalingen

Engelsstyle, post, style
Fransstyle, montant, jambage
DuitsStil, Pfosten, Griffel
Spaansestilo, aire, poste
Portugeesestilete