stock

mannelijk (de)/stɔk/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. dat wat wordt bewaard om pas in de toekomst te gebruiken of te verkopen
    hij moest toch iets doen om zijn familie te onderhouden. Dus handelde hij in parels. Waren we nieuwsgierig om iets van de stock te zien? Ja, zei ik, onwillekeurig rondkijkend naar een brandkast in de donkere hoeken van de kamer. Hij trok een van de houten laden van de wrakke schrijftafel open, en haalde er een sigarenkistje uit. Hij deed het open en liet ons de inhoud zien. Het was vol met bleekrose parels, in alle maten, als rose kaviaar.
  2. kaartspel (kaartspel) stapel speelkaarten
    "Wil je een spelletje canasta doen?" (…) Ted kondigde een serie vrouwen aan, dus ik legde een klaverdrie om te voorkomen dat hij de stock afgegooide kaarten inpikte.
  3. dichtkunst (dichtkunst) telkens terugkerende regel in een refrein
    In de kamers of bij de vele rederijkersfeesten, waar men van heinde en verre bijeenkwam om het plaatselijk prestige te verdedigen, werden opdrachten gegeven om met een bepaalde slotregel (de stock) een bepaald soort refrein te vervaardigen.

Etymologie

*van """, in de betekenis van ‘voorraad, kapitaal’ aangetroffen vanaf 1824