surplus

onzijdig (het)/xxxx/

Wat is de betekenis van surplus?

surplus betekent: overschot, wat er meer is dan nodig is, wat er overblijft

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. overschot, wat er meer is dan nodig is, wat er overblijft

Voorbeelden van "surplus" in een zin

  • En ze zetten de ramen open als ze schoonmaakten, het was dan ijskoud binnen en het was net alsof die kou oversloeg op mama, ze had geen surplus meer als ze over de emmer gebogen stond en de dweil uitwrong of als ze de bezem of de stofzuiger over de vloer duwde, en aangezien er alleen in dat surplus plek voor mij was, werd ik op zulke zaterdagochtenden ook koud, zo koud dat de kilte mijn hoofd binnendrong en het zelfs moeilijk maakte om op bed stripboeken te lezen, iets waar ik anders dol op was, zodat ik tot slot niks anders kon doen dan mijn jas aantrekken en naar buiten rennen in de hoop dat daar iets gebeurde.{{Aut|Knausgard, Karl Ove
  • Haar eigen voltooide werk had in haar ogen altijd iets belachelijks, alsof het een tekort en een surplus tegelijkertijd was, en zijzelf, de kunstenaar, op een onmogelijke manier gelijktijdig iets moest opvullen en uitwissen. {{Aut|Weijers, Niña
  • Nee, gezondheid is geen religie, hoogstens een sekte. Een sekte matigt zich alle kenmerken van een religie aan, maar met als surplus dwang en vrijheidsbeknotting. De dwang bepaalt dat je mee moet, want anders word je een zonderling.de Standaard 30 SEPTEMBER 2017

Betekenis en uitleg van surplus

Surplus verwijst naar het overschot of de extra hoeveelheid van iets, meestal in een economische context. Het kan gaan om geld, goederen of middelen die meer zijn dan wat er nodig is of verwacht werd.

Je kunt het woord 'surplus' vaak tegenkomen in discussies over budgetten of voorraadbeheer. Bijvoorbeeld, als een bedrijf meer producten produceert dan het kan verkopen, ontstaat er een surplus. Het gebruik van dit woord kan ook een positieve connotatie hebben, zoals in 'een financieel surplus', wat betekent dat er extra middelen beschikbaar zijn voor investeringen of spaarplannen.

Voorbeelden

  • Na een succesvol oogstseizoen had de boer een aanzienlijke surplus van appels die hij op de markt kon verkopen.
  • De overheid kondigde aan dat er een budgettair surplus was, wat hen in staat stelde om te investeren in infrastructuurprojecten.
  • Door een goed beheer van de middelen had de organisatie een surplus van vrijwilligers, waardoor ze meer evenementen konden organiseren.

Woordoorsprong

Het woord 'surplus' komt uit het Latijnse 'supra', wat 'boven' of 'bovenop' betekent, en verwijst naar wat er bovenop de noodzakelijke hoeveelheid is.

Veelgestelde vragen over surplus

Wat is de betekenis van surplus?

surplus betekent: overschot, wat er meer is dan nodig is, wat er overblijft

Welk woordgeslacht heeft surplus?

surplus is een onzijdig (het).

Wat zijn synoniemen van surplus?

Synoniemen van surplus zijn: restant, overblijfsel, saldo, overmaat, overschot.

Hoe gebruik je surplus in een zin?

Voorbeeld: “En ze zetten de ramen open als ze schoonmaakten, het was dan ijskoud binnen en het was net alsof die kou oversloeg op mama, ze had geen surplus meer als ze over de emmer gebogen stond en de dweil uitwrong of als ze de bezem of de stofzuiger over de vloer duwde, en aangezien er alleen in dat surplus plek voor mij was, werd ik op zulke zaterdagochtenden ook koud, zo koud dat de kilte mijn hoofd binnendrong en het zelfs moeilijk maakte om op bed stripboeken te lezen, iets waar ik anders dol op was, zodat ik tot slot niks anders kon doen dan mijn jas aantrekken en naar buiten rennen in de hoop dat daar iets gebeurde.{{Aut|Knausgard, Karl Ove

Etymologie

* uit het Frans

Vertalingen

Engelsoverreserve, surplus, excess
Franssurplus
Spaansexcedente