tanden

/ˈtɑndə(n)/

Betekenis

werkwoord
  1. ov (ov) van tanden voorzien
  2. ov (ov) (een zaag) scherpen

Etymologie

* "tand" met de uitgang -en

Uitdrukkingen

  • Met lange tanden eten.geen honger hebben, ziek zijn
  • Tot de tanden gewapend zijn.extreem bewapend zijn
  • Zijn/haar tanden erin zetten.vasthoudend zijn, niet willen opgeven