tanden
/ˈtɑndə(n)/
Betekenis
werkwoord
- (ov) van tanden voorzien
- (ov) (een zaag) scherpen
Etymologie
* "tand" met de uitgang -en
Uitdrukkingen
- Met lange tanden eten. — geen honger hebben, ziek zijn
- Tot de tanden gewapend zijn. — extreem bewapend zijn
- Zijn/haar tanden erin zetten. — vasthoudend zijn, niet willen opgeven
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek