tape

mannelijk (de)/tep/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. plakband bijv. isolatietape, afplaktape, sellotape, sporttape
  2. magneetband van een opnameapparaat bijv. audiotape, cassettetape, filmtape, mastertape, videotape
  3. papieren strook bij een telegrafisch apparaat, ticker-tape
  4. telegrafisch koersbericht onder beurstijd, tickertape

Etymologie

* van "tape"

Vertalingen

Engelstape
Fransscotch
DuitsKlebeband