tapir
mannelijk (de)/ˈtapir/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- (onevenhoevigen) hoefdier, zo groot als een ezel en met een kleine beweeglijke slurf dat voorkomt in Zuid-Amerika en Zuidoost-Azië; naam voor soorten uit de familieMet hun slurf kunnen tapirs twijgen van bomen en struiken rissen.
Etymologie
*via """ of """ van "tapi'ira", in de betekenis van ‘hoefdier’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1682
Vertalingen
Engelstapir
Franstapir
DuitsTapir
Spaanstapir
Italiaanstapiro
Portugeesanta
Zweedstapir
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek