teer

/ter/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. olieachtige vloeistof met een zeer hoge viscositeit

Etymologie

*Afkomstig van Germaans *terwo-, wat waarschijnlijk afkomstig is van *trewo- ( zie ook het Engelse 'tree'), van het Indo-Europese *drew ‘boom’. Cognaat van o.a. het Engelse tar, Duitse Teer en Zweedse tjära.

Vertalingen

Engelstar, pitch, fragile
Fransgoudron, fragile
DuitsTeer, zart, zerbrechlich
Spaansalquitrán, frágil, delicado
Italiaanscatrame
Portugeesalcatrão
Arabischقطران
Turkskatran
Zweedstjära