teer
/ter/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- olieachtige vloeistof met een zeer hoge viscositeit
Etymologie
*Afkomstig van Germaans *terwo-, wat waarschijnlijk afkomstig is van *trewo- ( zie ook het Engelse 'tree'), van het Indo-Europese *drew ‘boom’. Cognaat van o.a. het Engelse tar, Duitse Teer en Zweedse tjära.
Vertalingen
Engelstar, pitch, fragile
Fransgoudron, fragile
DuitsTeer, zart, zerbrechlich
Spaansalquitrán, frágil, delicado
Italiaanscatrame
Portugeesalcatrão
Arabischقطران
Turkskatran
Zweedstjära
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek