teljoor

mannelijk/vrouwelijk (de)/tɛlˈjor/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. huishouden (huishouden) vlak voorwerp om voedsel van te eten, tegenwoordig meestal van rond aardewerk, vroeger ook wel van metaal of hout
    En José heeft er nog zo’n goeie: eet eerst de teljoor van een ander leeg en begin dan pas aan jouw bord.
    Onder meer zijn een teljoor (eetbord), een leren muil en een harpoen uit het Behouden Huys van Willem Barentsz op Nova Zembla te zien.

Etymologie

*van "tailloir" "snijplank voor vlees", cognaat met "Teller"