termijn

mannelijk (de)/tɛrˈmɛin/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. een vast tijdstip waarop iets gaat gebeuren of iets gebeurd moet zijn
    Daar is een termijn voor gesteld.
  2. een begrensde tijdruimte waarin iets moet gebeuren
    Je hebt een termijn van 11 uur.
    Maandag waarschuwde het CBL al dat deze blokkade op langere termijn ook invloed kan hebben op de boodschappen als de leveringen helemaal stilgelegd moeten worden. Ook onder andere de bezorgdienst Picnic en flitsbezorgers als Gorillas ondervinden hinder van de boerenprotesten.
  3. een gedeelte van de schuld dat binnen een vaste periode betaald moet worden
    Wij doen helaas niet aan afbetaling in termijnen.

Etymologie

* Leenwoord uit het Latijn, in de betekenis van ‘tijdruimte’ voor het eerst aangetroffen in 1226

Uitdrukkingen

  • op korte termijn
  • op termijn

Vertalingen

Engelsterm
Fransdélai
DuitsTermin, Frist, kurzfristig
Spaanstérmino, plazo, plazo de tiempo