timmeraar

mannelijk (de)/xxxx/

Wat is de betekenis van timmeraar?

timmeraar betekent: (beroep), (neologisme) iemand die zich beroepsmatig vooral met houtbewerking bezighoudt; timmerman of timmervrouw

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. beroep, neologisme (beroep), (neologisme) iemand die zich beroepsmatig vooral met houtbewerking bezighoudt; timmerman of timmervrouw

Voorbeelden van "timmeraar" in een zin

  • De timmeraar ging al na tien jaar met pensioen.
  • Mijn kaken maken al uren kauwbewegingen, maar ik moet niet aan eten denken. Max ook niet, want hij heeft geen tijd voor mijn tafel. Hij moet nog snel zijn ontwerp langs brengen bij een vader die virtuoos timmeraar blijkt te zijn, of zoiets, voordat hij bij een Hele Belangrijke Klant van ᴍᴀx Design moet zijn. [https://books.google.nl/books?id=dycvAgAAQBAJ&pg=PT70 Bakfietsblues], Maaike Schutten, 28 april 2010
  • Alles wat je zelf kunt, doe je zelf. Als het boeiboord van je woning begint te rotten vraag je een bevriende timmeraar die het voor je repareert. [https://ruimtevolk.nl/2013/09/23/het-participatiedorp-kootwijkerbroek/ Een kennismaking met het participatiedorp], Ruimtevolk, 23 september 2013

Etymologie

*Afleiding van timmeren .

Vertalingen

Engelscarpenter