timmeren
/ˈtɪmərə(n)/
Betekenis
werkwoord
- (inerg) houten zaken in elkaar zettenHij kan erg goed timmeren; hij heeft gisteren die hele tafel gemaakt.
- (inerg) herhaaldelijk (met een hamer) op iets slaanStop alsjeblieft met dat timmeren op je tafel.
Etymologie
* In de betekenis van ‘bouwen (van hout)’ voor het eerst aangetroffen in 1240
Uitdrukkingen
- Wie aan de weg timmert heeft veel bekijks — iemand die grote beslissingen moet nemen, krijgt vaak ook veel kritiek
- aan de weg timmeren
Vertalingen
Engelsbuild
Fransconstruire
Duitszimmern
Spaanscarpintear
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek