toejuiching

vrouwelijk (de)/xxxx/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. een waardering uiten door iemand toe te juichen
    Nog voor de botenparade zaterdag tijdens de Gay Pride begint, neemt minister Ronald Plasterk (homo-emancipatie) de eerste toejuiching in ontvangst. ‘Hoera voor Plasterk’, klinkt het uit de mond van zanger Gordon, voor de gelegenheid uitgedost in een roze bisschopstenue.Volkskrant Theo Koel 3 augustus 2009

Etymologie

* van toejuichen

Vertalingen

Engelscheer, applause, ovation