toets
mannelijk (de)/xxxx/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- (muziek) een knop op zekere muziekinstrumenten die een mechaniek in werking stelt om een bepaalde toon voort te brengen
- (muziek) deel van de hals van zekere snareninstrumenten waartegen een snaar afgeklemd wordt om de toonhoogte van de snaar te veranderen
- een knop op het bedieningspaneel van een schrijfmachine of computer die het mogelijk maakt een symbool in te typen
- (onderwijs) een al of niet gestandaardiseerde controle om te bewijzen dat een lerende heeft voldaan aan de gestelde leerdoelen
- een test of onderzoekDe toets van onze vooruitgang is niet hoeveel rijker we de rijken maken, maar of we de minder bedeelden van de samenleving genoeg kunnen bieden (Franklin D. Roosevelt)
Etymologie
* Leenwoord uit het Frans, in de betekenis van ‘proef’ voor het eerst aangetroffen in 1338
Vertalingen
Engelskey
Franstouche, touche
DuitsTaste
Spaanstecla
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek