trainerschap
onzijdig (het)
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- het trainer zijn
- de functie van trainerDe focus ligt vanaf nu volledig op het trainerschap voor de Katwijker. Hoewel hij nu nog een coach is zonder ervaring, heeft hij wel jarenlang op het veld gestaan met verschillende toptrainers.
Etymologie
* afleiding van trainer
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek