trainerschap

onzijdig (het)

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. het trainer zijn
  2. de functie van trainer
    De focus ligt vanaf nu volledig op het trainerschap voor de Katwijker. Hoewel hij nu nog een coach is zonder ervaring, heeft hij wel jarenlang op het veld gestaan met verschillende toptrainers.

Etymologie

* afleiding van trainer