trainerscursus
mannelijk (de)
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- opleiding tot oefenmeesterSneijder heeft de ambitie om na zijn actieve carrière de trainerscursus te gaan volgen."Mijn advies is: doe de trainerscursus in Zeist. In mijn ogen zou hij een ideale jeugdtrainer zijn.
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek