trainerscursus

mannelijk (de)

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. opleiding tot oefenmeester
    Sneijder heeft de ambitie om na zijn actieve carrière de trainerscursus te gaan volgen.
    "Mijn advies is: doe de trainerscursus in Zeist. In mijn ogen zou hij een ideale jeugdtrainer zijn.