treuzelen

/xxxx/

Betekenis

werkwoord
  1. langzaam lopen, langzaam aan doen
    Pas ergens „begin 2017” wil May in Brussel de officiële vertrekprocedure starten (‘artikel 50’). De kritiek aan het thuisfront neemt toe: ze zou treuzelen, een controlfreak zijn die niet durft te delegeren, of ze zegt niets omdat haar ministers het onderling oneens zijn. NRC Melle Garschagen 30 september 2016
  2. precies maar langzaam werken
  3. aarzelen om iets te gaan doen
    Nadat iedereen filmend en fotograferend langs de pingpongtafel getrokken was, bleven ze allemaal met hun apparatuur in de aanslag staan treuzelen, blik op de gesloten zijdeur naast de rechterlijke desk gericht, alsof daar elk moment, elegant uit zijn graf herrezen, in coltrui en spijkerbroek Steve Jobs kon verschijnen om een postuum ontworpen digitaal speeltje wereldkundig te maken. NRC A.F.TH. van der Heijden 18 augustus 2016

Etymologie

* afgeleid van treusselen