troosteloosheid
vrouwelijk (de)/xxxx/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- het troosteloos zijnDe troosteloosheid van het Oost-Groningse veenlandschap heeft eigenlijk ook zo zijn eigen schoonheid.
Etymologie
* afgeleid van troosteloos
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek