tuut

mannelijk (de)/tyt/

Betekenis

tussenwerpsel
  1. verkeer (verkeer) krachtig, kortdurend, hoog geluid dat vaak dient als een waarschuwingssignaal
    'Eén keer tuut. Eén keer wuiven. Naar mijn eigen vrouw. Vijftig euro,' vertelt hij beteuterd aan de Belgische krant Belang van Limburg. Afgelopen vrijdag kwam hij zijn vrouw op straat tegen. 'Dus wat doe ik? Ik toeter, één keer: tuut. Zij ziet mij. Ik lach en wuif. Zij wuift terug. Ik vond het een heel normale, leuke begroeting.' Tubantia Eric Borsje 13-06-12 [https://www.tubantia.nl/bizar/man-krijgt-boete-voor-toeteren-naar-eigen-vrouw~af4f6418/ Man krijgt boete voor toeteren naar eigen vrouw]
    Tuut! Tuut! Er stopt een auto voor de poort. De kinderen rennen naar buiten. ‘Oom Tonie! Dag oom Tonie!’ roepen ze.
  2. biologie (biologie) nabootsing van de roep van sommige steltlopers, zoals de tureluur
    Daar is hun gejoel en gejubel niet van de lucht en ik wil u gaarne verzekeren dat ik hun zang even gaarne hoor als die van lijsters en nachtegalen. Ze zeggen heel duidelijk ‘tureluur, tureluur’ en ook ‘tuut, tuut, tuut’.
zelfstandig naamwoord
  1. persoon, straattaal, verouderd (persoon) (straattaal) (verouderd) agent van de politie
    ‘Eet smakelijk’ zei de tuut toen hij een ontbijt van drie sneden droogbrood en thee aangaf.

Etymologie

** naar de roep van de vogels of van het geluid waarmee hoenders kunnen worden gelokt, uitspraakvariant van "tuit"