tweed
onzijdig (het)/xxxx/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- geribbeld wollen weefselOp mijn 15de kocht ik een pak bij Peter Robinson. Een grijs tweed kostuum met visgraatmotief. Ik droeg het toen ik voor het eerst naar Straatsburg en Italië ging. Om de hoek in Regent Street was de bushalte, waar ik de Green Line nam. Aan de overkant van Oxford Circus zat de bioscoop waar ik de films zag van René Clair. Alles is beschadigd.Volkskrant 27 oktober 2017 Dagboek New York, 27 oktober 1940.
Etymologie
* uit het Engels
Vertalingen
Engelstweed
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek