tweedeklasser

mannelijk (de)/xxxx/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. iemand die in de tweedeklas zit van een school
    Een tweedeklasser schold laatst in de gang: „Homo!” Rector Jan Coster hoorde het toevallig. Hij zag dat een vijfdeklasser de jongen meteen aansprak. „Dat doen we hier niet”, zei de jongen. Op zo’n moment is Coster trots op de sfeer in zijn school, het Zaanlands Lyceum. Open, tolerant, veilig. NRC Frederiek Weeda 17 februari 2016
    De tweedeklassers voelen zich hoogverheven boven de brugpiepers.
  2. sportteam dat speelt in de tweede klasse van een competitie en dus van mindere kwaliteit is
    Er is nog Ronald Koeman bij Everton en Dick Advocaat bij Fenerbahçe die met het nodige respect worden bejegend, maar Gertjan Verbeek schopt het niet verder dan een Duitse tweedeklasser. Waar hij ook nog wordt gezien als een Hollandse Popov, maar dan met de humor van een koevoet. Meer dan een curiosum zal het niet worden in de Bundesliga. NRC Hugo Camps 4 november 2016

Etymologie

*afgeleid van tweedeklas