tweegezinswoning

vrouwelijk (de)/ˌtweɣəˈzɪnswonɪŋ/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. bouwkunde (bouwkunde) bouwwerk bedoeld als verblijfplaats voor twee paar ouders met kinderen
    Tussenmuren, doorgangen, slim verscholen sanitair: allemaal het werk van haar vader, wijst ze trots. Zo maak je van een oude boerderij een moderne tweegezinswoning.