tweezaadlobbige

mannelijk (de)/ˈtwezatˌlɔbəɣə/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. benaming voor bloemplanten die horen tot een grote groep waarvan veel soorten gekenmerkt worden door zaden met twee kiemlobben

Etymologie

*: afgeleid van "tweezaadlobbig"