uitbouwen

onzijdig (het)/ˈœydbɑuwə(n)/

Betekenis

werkwoord
  1. een bestaand gebouw groter maken door er iets aan te bouwen
    Wij hebben het huis uitgebouwd met een garage.
  2. figuurlijk (figuurlijk) een organisatie of denkbeeld verder uitbreiden
    Zij kon haar boetiekje uitbouwen tot een modeketen met filialen in tien landen.
zelfstandig naamwoord
  1. zelfstandig gebruik van de infinitief
    Het uitbouwen van de kerk tot een kathedraal heeft eeuwen geduurd.