uitbreiden

/ˈœydbrɛidə(n)/

Wat is de betekenis van uitbreiden?

uitbreiden betekent: (ov) iets een groter oppervlak laten innemen

Betekenis

werkwoord
  1. ov (ov) iets een groter oppervlak laten innemen
  2. zich uitbreiden: zich over een groter deel verspreiden
  3. toenemen in aantal

Voorbeelden van "uitbreiden" in een zin

  • Verder kunnen kinderen hun woordenschat uitbreiden door liedjes, rijmpjes en versjes.
  • In de Grieks-en in de Rooms-Katholieke kerk werd hij vereerd. Reeds in de negende eeuw breidde zijn roem zich uit van Klein-Azië naar Italië en omstreeks het jaar duizend zelfs over de Alpen.
  • Vooral boeren met zeugen breidden in de afgelopen vier jaar de stal uit. Bijna de helft van die varkens leeft nu in een megastal.
  • Ze bewoog haar vingers enkele malen op en neer. De onnatuurlijke verkramping breidde zich uit en was al tot haar handen doorgedrongen.
  • Van Gent zegt te verwachten dat de rek er nu wel redelijk uit is en dat het aantal foodtruckondernemingen niet meer sterk zal groeien. Mogelijk breiden bestaande ondernemingen wel uit met extra foodtrucks.

Etymologie

*leenvertaling van ausbreiten; op te vatten als samenstellende afleiding van uit (bijwoord), breed (bijwoord) en dat een werkwoord vormt, of een verouderd uit West-Vlaanderen "breder maken" ,

Vertalingen

Engelsexpand, extend
Fransétendre, évaser
Duitsausbreiten, ausdehnen, ausstrecken
Spaansensanchar, ampliar